De Gouden Eeuw, molens en Leeghwater

De geboorte van een natie die zich ontworstelde aan Spaans bewind. Pakweg een eeuw die de geschiedenis is ingegaan als de ultieme bloeiperiode van het land dat uiteindelijk Nederland is geworden. Een bloeiperiode met controversiële elementen.

Lees verder op beleggeninwindenergie.nl.

Er werd op vrijwel alle gebieden handel gedreven, er werd gekoloniseerd en oorlog gevoerd. Amsterdam ontwikkelde zich als stralend, dynamisch middelpunt van de wereld. Er werd grof geld verdiend door ondernemerschap met harde hand. Het was de Gouden Eeuw. Er werd echter ook winst geboekt op het water. In deze periode werden door middel van het gebruik van molens grote stukken land drooggemalen. De mooiste oorlogsbuit van de Nederlandse strijd tegen het water bestaat uit polders. Tussen 1590 en 1640 werd ruim tachtigduizend hectare op het water veroverd. Pure winst, verkregen met behulp van duurzame energie. Uit oorlog en water verrezen een nieuwe staat en nieuw land, wat wellicht het voornaamste mirakel van de Gouden Eeuw is. Aan de inpolderingen is onverbrekelijk de naam Jan Adriaenszoon Leeghwater verbonden. Een grote polderaar door wie het typisch Nederlandse gepolder wordt belichaamd. Hij staat in de geschiedenisboekjes als het brein achter de winst op het water. Maar is dit eigenlijk wel terecht?

De vaderlandse welvaart stond voor een belangrijk deel in het teken van het water waarmee de Nederlanders een haat-liefdeverhouding hadden. Het water kon voor overlast zorgen, maar in de Gouden Eeuw overheersten echter de positieve gevoelens: het water was letterlijk goud waard. Men bevoer alle zeeën om handel te drijven, en in het land zelf waren (vooral vanaf het midden van de zeventiende eeuw) waterwegen met trekschuiten van eminent belang voor de distributie van goederen. Het land dat door inpoldering met molens op het water werd gewonnen, zorgde voor nieuwe landbouwgrond. Vooral in het Hollandse Noorderkwartier vonden spectaculaire droogmakerijen plaats. In het gebied nam de beschikbare landbouwgrond met veertig procent toe. Bekende polders als de Beemster, de Purmer en de Wormer ontstonden in respectievelijk 1608-1612. 1610-1622 en 1626. Door innovatie en vindingrijkheid werd in tegenstelling tot andere Europese streken in die tijd, ons landschap in hoge mate en in hoog tempo door mensenhand bepaald. Droogleggen bracht geld op, maar vereiste ook investeringen. Kapitaalkrachtige burgers stelden graag een deel van hun winsten uit handel en bedrijf beschikbaar. De winst die de nieuwe boerderijen opleverden werd vaak weer teruggesluisd naar eigen activiteiten. Daarmee was de cirkel rond en de samenhang van de economie met de polders onderstreept.

Leeghwater werd in 1575 geboren als Jan Adriaenszoon in de Rijp, de zoon van een timmerman en molenmaker in het Noord-Hollandse dorp De Rijp, bij Alkmaar. Zijn vader leidde hem op in het bouwvak. In de praktijk leerde hij ook andere vaardigheden zoals landmeten. Dankzij zijn grote verbeeldingskracht ontsteeg hij echter het niveau van de ervaren ambachtsman. Hij claimde in ieder geval twee uitvindingen: een duikersklok en de achtkanter molen. De duikersklok bleek in praktijk onhandig, maar de vindingrijkheid van het idee speelde Leeghwater in de kijker bij de leiders van het land. De naam Leeghwater nam hij aan in verband met het octrooi dat hem in 1605 werd verleend voor het principe van de duikersklok. De achtkanter molen had meer vermogen dan andere molens en door een inwendig scheprad was de molen ideaal voor het wegmalen van water bij inpolderingen. Echter was deze uitvinding geen nieuwe uitvinding van Leeghwater. Het principe werd al jaren voor de geboorte van Leeghwater gebruikt voor inpolderingen. Bijvoorbeeld bij het droogleggen van het Egmondermeer in 1562. Een ander andere techniek die vaak op conto van Leeghwater werd geschreven is dat van de ‘molengang’. Hierbij werden drie of vier molens achter elkaar gezet die het water telkens een stukje hoger op maalden, tot het geloosd kon worden. Ook deze techniek bestond echter al in de zestiende eeuw. Niemand kan zelfs aantonen dat Leeghwater een van de molenmakers is geweest die de Hollandse poldermolen in de loop van de tijd verbeterden.

Leeghwater werd vooral bekend door zijn in 1641 verschenen Haerlemmermeerboek waarin hij pleitte voor drooglegging van dit 'groot, bederfelijk en schadelijk water'. Maar had hij ook echt de leiding over de grote inpolderingen in de zeventiende eeuw? Niet direct. Leeghwater was bij de meeste inpolderingsprojecten in de eerste helft van de zeventiende eeuw betrokken als waterbouwkundig adviseur. Hij behoorde tot de technische staf en had tot taak om molens te bouwen. Deze taak heeft hij goed volbracht. De dagelijkse leiding van de polderprojecten was echter in handen van twee of drie leden van het college van hoofdingelanden, het bestuur van het waterschap. In Noord-Holland was dat het Hoogheemraadschap van Rijnland. Zij waren de grootste investeerders in het maken van polders.

Leeghwater was wel degelijk een gewaardeerd waterbouwkundige en een ervaren deskundige op het gebied van bemaling en molenbouw. Hij was echter slechts een van meerdere vakmannen die bij de inpolderingen in de eerste helft van de zeventiende eeuw betrokken waren. Er wordt over Leeghwater ook gezegd dat hij een ijdeltuit en een opschepper was. Zo heeft hij waarschijnlijk veel minder van doen gehad met de droogmakerijen dan hij ons wilde doen geloven. De geschiedschrijving over de droogmakerijen en molenbouw was in de 19e eeuw nogal geromantiseerd voorgesteld waar men kennelijk in die tijd behoefte aan had. Door zijn zichtbaarheid als schrijver van een boek over drooglegging, zijn goede relaties met Amsterdamse koopmannen en bestuurders, en wellicht ook wel enigszins door zijn opschepperij, werd Leeghwater een boegbeeld van de droogmakerij.

Desalniettemin heeft een strijd helden nodig. Volledig terecht of niet, voor de strijd tegen het water heet die held Leeghwater. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd en staat symbool voor winst op het water om daarmee vooruitgang te boeken. En dat door het gebruik van molens die dat succes faciliteerden. De inpoldering is een succesverhaal uit de Gouden Eeuw en een geslaagde les uit het verleden die men in het heden en de toekomst mag herhalen.

 

Bronnen:

H. Kaptein, Jan Adriansz. Leeghwater (1575 ca. 1650), in: E. Kloek, red, Verzameld Verleden. Veertig gedenkwaardige momenten en figuren uit de vaderlandse geschiedenis, Hilversum 2004.

A. Lehr, Jan Adriaensz. Leeghwater en het klokkenspel, in Klok en Klepel het orgaan van de Nederlandse Klokkenspel Vereniging afl. 6, 1965.

L. Mulder, A. Doedens en Y. Kortlever, Geschiedenis van Nederland. Van prehistorie tot heden, Apeldoorn 1996, 176177.

T. Wachelder, Leeghwater legende, www.historien.nl, 25 maart 2015.

www.kb.nl.

www.wikipedia.org.