Trouw - Een miljoen dier- en plantsoorten minder. Hoe erg is dat?

Een miljoen dier- en plantsoorten wordt met uitsterven bedreigd, concludeert Ipbes. Hoe erg is dat? Volgens deskundigen is dat zowel in ecologische als in ethische zin zeer zorgelijk. Dat soorten verdwijnen betekent niet dat de wereld onmiddellijk vergaat, zegt Frank Berendse, emeritus hoogleraar ecologie van de universiteit Wageningen in een reactie op het alarmerende rapport van het Ipbes van gisteren. “Maar er zijn duidelijk wel consequenties. Denk aan het effect dat bestuivers hebben op de productie van fruit en groenten. Als zij er niet zijn, raken de groente- en fruitschappen in de supermarkten al snel behoorlijk leeg.

Bron: Trouw

Een miljoen soorten dieren en planten die worden met uitsterven bedreigd. 40 procent van de amfibieën, 33 procent van de koraaldiertjes en meer dan 30 procent van de zeezoogdieren dreigen te verdwijnen. De conclusies van Ipbes, het platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten, waarvan 130 landen lid zijn, zijn indrukwekkend.

Op grotere schaal, zegt Berendse, reguleert de natuur het klimaat. “Bossen slaan koolstof op. Meer dan de helft van de kooldioxide die de mens produceert, wordt opgeslagen door de natuur op het land en in de oceanen. Zonder grote natuurgebieden zou de temperatuur op aarde veel sneller stijgen. Dat er nu per jaar miljoenen hectaren tropisch regenwoud verdwijnen, vergroot het klimaatprobleem.”

Diensten

Berendse benadrukt de praktische gevolgen van het verdwijnen van plant- en diersoorten. Maar het rapport van Ipbes roept ook grote ethische vragen op, zegt Martin Drenthen, milieufilosoof aan de Radboud Universiteit Nijmegen. “Hoe verhouden wij mensen ons tot de natuur en hoeveel ruimte geven wij aan andere soorten?”

Het antwoord, zegt hij, hangt af van hoe je naar de natuur kijkt. “Bij het Ipbes wordt sterk gedacht in termen van ‘ecosysteemdiensten’. Dat wil zeggen dat de natuur bepaalde functies heeft, bijvoorbeeld een producerende functie waarbij ze hout of gewassen levert, maar ook een culturele: de natuur geeft de mens een mogelijkheid tot recreëren. Maar dit spreken in termen van diensten heeft zijn beperkingen. Een boom in een oerwoud kan hout leveren. Maar een boom op een plantage of in een productiebos kan dat óók, terwijl we die toch anders waarderen. In plaats van te spreken over diensten die de natuur de mens levert, kunnen we ons beter afvragen: hoe draagt de natuur bij aan menselijk welzijn? Dan gaat het om meer dan alleen ons platte eigenbelang, maar ook over wat we waarderen om zijn schoonheid, kwetsbaarheid, wildheid, zeldzaamheid, grootsheid enzovoort.”

Nuttige insecten

Diversiteit in de natuur, zegt Drenthen, is meer dan een optelsom van individuele soorten. “Als het alleen een som was, zou je zeggen: 20 soorten vlinders in Nederland of 100, wat maakt dat nu uit? Maar diversiteit moet je zien als een soort verzekeringspolis om veranderingen het hoofd te kunnen bieden. Als door klimaatverandering bepaalde nuttige insecten niet meer in Nederland zouden voorkomen, kun je maar beter zorgen dat er veel verschillende soorten nuttige insecten zijn, zodat tenminste nog enkele soorten blijven bestaan. Als ál die soorten zouden verdwijnen, weet je niet wat er zou gebeuren. Dat is het belang van een grote biodiversiteit.”

Bovendien, zegt ecoloog Frank Berendse, zijn soorten onderling afhankelijk van elkaar. “De vegetatie in de savanne is anders met olifanten dan zonder. Een landschap met insecten ziet er totaal anders uit dan zonder. Hoe meer soorten uitvallen, hoe meer impact dat heeft op onze leefomgeving.”

“De bevindingen in het Ipbes-rapport zeggen wat mij betreft iets ergs over de mens”, zegt filosoof Drenthen. “We zijn gefixeerd op economische groei, maar laten we niet doen alsof teruggaan naar de economische situatie van de jaren negentig een gang naar de ijstijd is. We zijn als een bewoner die zijn huisgenoten in de verdrukking brengt. Dat maakt ons lelijk.”

Berendse: “In de ontwikkeling van onze beschaving hebben we ons altijd bekommerd om zwakkeren. Het is tijd om niet alleen naar de medemens te kijken. Laten we alle levende organismen een toekomst bieden.”

‘We kunnen de natuur alleen redden met regels’

Een halve eeuw terug waarschuwde Wouter van Dieren (78) voor uitputting van de aarde. Samen met andere grondleggers van de Club van Rome agendeerde hij het klimaatprobleem. “Ook de uitroeiing van soorten zat al vét in onze scenario’s”, zegt hij. Daarom ziet Van Dieren de nieuwe studie van het VN-platform Ipbes als het ‘zoveelste gelijk’ van ‘Grenzen aan de groei’, het rapport van de Club van Rome uit 1972. De gelijkenis tussen toen en nu – experts slaan alarm, de mensheid moet luisteren – bezorgt hem ‘een zeker gevoel van: daar gáán we weer’.

Toch gelooft hij dat omslag, alsnog, mogelijk is. Voor het klimaat worden wereldwijd langzaam al de bakens verzet, zegt hij. “En het voordeel bij het aanpakken van de naderende ecologische ramp is: de veerkracht van de natuur is groter.”

Gesmolten poolijs kunnen mensen niet terugbrengen, regionaal verdwenen natuur, dieren en planten wel. “Zolang er een genetisch reservoir is, blijft natuurherstel mogelijk.” Om tot zo’n heropleving te komen moet de wereld anders gaan consumeren en werken, zegt hij.

Dat zal niet lukken met meer alarmbellen en noodkreten, denkt Van Dieren. “Mijn advies: blijf niet roepen dat het vijf voor twaalf is.” Een heel positieve oproep de wereld insturen, werkt dat? “Ook vrij zinloos.” Droge wetgeving, dat werkt volgens van Dieren het best. “Dat moet, want in ons financiële stelsel bestaat nog altijd het idiote geloof dat de economie kan voortjakkeren zonder schade.”

Quota en normeringen van de overheid moeten dat aan banden leggen, zegt van Dieren. “En nee, dan hoef je niet het communisme in te voeren. We kunnen de markt reguleren.” Hij suggereert daarbij het gebruik van een gelimiteerde hoeveelheid natuurrechten voor bedrijven, zoals nu de fosfaat- en CO2-rechten in de klimaataanpak. Met zulke regulering kan ook soortenrijkdom waarde krijgen binnen de economie, zegt van Dieren, die daarover in 1977 al het boek ‘Natuur is duur’ publiceerde.

Dat is bittere noodzaak. Voor sommige soortgroepen nog meer dan voor andere. Kleine kruipers, bodemdiertjes zoals schimmels, wormen en aaltjes, zijn onmisbaar. De grond raakt vruchteloos als ze uitsterven. “Ze staan aan de basis van het ecosysteem.” Net als insecten, zoals bestuivende bijen. “Of denk aan een bever: met bouwwerken draagt die bij aan unieke biotopen.”

Andere dieren, zoals leeuwen en olifanten, zijn ecologisch misschien wel te missen, maar ze hebben enorme ‘esthetische, culturele waarde’. “We vinden ze prachtig, bewijst ook het toerisme. Ze moeten behouden blijven.”