Trouw - Rowin Snijder maakt wormenhotels en verkoopt wormenpoep

Rowin Snijder (41) geeft les in composteren en maakt wormenhotels. Het zijn kasten waarmee buurtbewoners, restaurants en hotels op de Amsterdamse Zuidas compost kunnen maken van gft-afval. 

https://www.trouw.nl/groen/rowin-snijder-maakt-wormenhotels-en-verkoopt-wormenpoep~af80d034/  

“Ga ik echt fulltime iets met wormen doen? Dat schoot wel even door mijn hoofd, ja”, zegt Rowin Snijder lachend. Met zijn bedrijf Le Compostier legt hij zich toe op het maken van wormenhotels: een chic woord voor een compostcontainer. Sinds kort is hij daarnaast begonnen met het verkopen van wormenpoep. Snijder: “Wormen zijn heel fascinerende beesten. Ze zijn ontzettend belangrijk voor al het leven op aarde. Ik zie de worm als herder van de bodem.”

Omgeven door de hoge kantoren op de Zuidas zit het Groene Leven Lab verstopt. Er is een pluktuin en een koepel waar workshops worden gegeven. In samenwerking met de Vrije Universiteit wordt hier onderzocht hoe de stad groener en duurzamer kan worden. De wormenhotels van Snijder sluiten goed aan op wat er hier gebeurt, vertelt hij. In een hoek van de tuin, onder een partytent - tegen de regen - heeft hij zijn laboratorium. Hier staan grote houten frames opgesteld. Snijder: “Op dit moment werk ik aan zeven kasten tegelijkertijd. Dit keer zijn ze vooral bedoeld voor bedrijven.” Zo heeft Milieudefensie ook een kast bij hem besteld.

Vier jaar heeft Snijder, van oorsprong kunstenaar, erover gedaan om het perfecte wormenhotel te ontwikkelen: een kast die goed dicht kan, ongediertevrij is, die droog blijft en tegelijkertijd lucht doorlaat. Maar als het echt moet, en ze worden niet goed verzorgd, kunnen de wormen wel ontsnappen hoor, zegt Snijder: “Er is een nooduitgang.”

De deksel van het ‘hotel’ bestaat uit een tuintje. Snijder zet er planten in als smeerwortel en duizendblad, en ook eetbare planten: tomaten, rozemarijn, sla, tomaten en boerenkool. Naast dat het er op straat leuk uitziet, is het nuttig: “De kruiden kun je weer bij de wormen gooien. Ze helpen bij het composteringsproces.”

Terwijl hij praat over zijn liefde voor composteren, laat hij zien hoe het werkt: een van zijn ‘hotels’ staat in de tuin en is in gebruik. Onder de deksel liggen bladeren te vergaan, een avocadopit en wat tuinafval. Daartussen krioelen tientallen wormen. Snijder pakt een handje compost: “Dit is wormenpoep, het is veel korreliger van structuur dan aarde, en het zit vol voeding voor de bodem.”

Online cursus

Toen hij nog in Amsterdam woonde, baalde Snijder ervan dat hij zijn gft-afval niet kon scheiden (de gemeente doet maar op een paar plekken aan afvalscheiding, red.). Hij ging de stad uit en verhuisde naar een huis met een tuin. Daar ontstond het idee: “Voor mijn moestuintje wilde ik biologische aarde gebruiken, maar die was heel duur.” Online vond hij een cursus composteren: “Het was een audiocursus van een jongen die helemaal gek was van compostwormen.” Snijder begon met plastic bakjes, daarna maakte hij zijn eerste wormenkastje: “Ik kreeg zo veel leuke reacties dat ik besloot het aan te bieden aan een groter publiek.”

In Amsterdam en Amstelveen zijn er inmiddels verschillende buurten waar bewoners nu samen composteren met de hotels van Snijder. Ook vanuit andere gemeenten is er interesse. Snijder gaat altijd langs om les te geven in composteren, en hij komt een paar keer terug om te kijken hoe het met de wormen staat. Hij levert kasten van zo’n zevenhonderd tot duizend liter. Na ongeveer een half jaar composteren kun je gaan oogsten, legt hij uit. Maar let op: in de kasten kun je alleen rauw groente- fruit- en tuinafval kwijt. De wormen kunnen wel wat gekookt voedsel verwerken, maar zodra dat te veel wordt, gaat de compost snel stinken.

Waarom vindt Snijder het zo belangrijk dat mensen hun afval composteren? “Ik wil helpen de wereld circulair te maken. Ik denk dat dit alleen kan als we het samen doen.” Hij is even stil en zegt: “Ik zie het gebeuren, mensen die een wormenhotel gebruiken vergroenen. Ze eten vaak gezonder. Ze willen iets aan het wormenhotel kunnen geven, dus ze kopen verse producten in plaats van eten uit blik. Daarbij doen ze vaker aan tuinieren: ze willen de compost die ze verzamelen tenslotte wel gebruiken.”